Circulaire Waarden van Architectuur

DossierRAAK.MKB17.004
StatusLopend
Subsidie€ 322.080
Startdatum1 april 2023
Einddatum31 december 2025
RegelingRAAK-mkb
Thema's
  • Gebouwde omgeving duurzaam en leefbaar
  • Circulaire economie en grondstoffenefficiëntie: Duurzame circulaire impact
  • Kwaliteit van de omgeving
  • Onderwijs
  • Energietransitie & duurzaamheid 20-23

Gebouwen blijven lang (gemiddeld 50 jaar) in functie. Desondanks wordt circulariteit van gebouwen vaak gelijk gesteld aan herbruikbaarheid van de toegepaste materialen na sloop. Door de aanscherpende functionele eisen is het moeilijk om de bouwmaterialen die bij sloop of verbouwing vrijkomen één-op-één te hergebruiken. Deze materialen voldoen niet meer aan de huidige eisen en worden veelal gerecycled om de materialen/grondstoffen in de kringloop te houden.
Als hergebruik van afzonderlijke bouwmaterialen moeilijk is dan wordt het interessant om te onderzoeken of de levensduur van een gebouw in z’n totaliteit kan worden opgerekt: door te streven naar bijvoorbeeld levensduren van 100 jaar en meer.
In de leidraad Circulair Ontwerpen van CB’23, een platform dat onderzoek doet naar circulariteit in de gebouwde omgeving, worden onder meer overmaat en koestering als randvoorwaarden voor een langere levensduur genoemd. Door het gebouw te over-dimensioneren kan het gemakkelijker andere functies in zich opnemen. Koestering gaat over waardering van de gebruikers voor een gebouw. Uit het literatuuronderzoek dat met een KIEM-subsidie is uitgevoerd, blijken gebouwen met royale en aansprekende entrees en die uitgevoerd zijn in zorgvuldig gedetailleerde materialen die mooi verouderen hiervoor in aanmerking te komen: materialen als beton, natuursteen en baksteen – dure materialen met relatief hoge schaduwkosten.
Het consortium, bestaande uit architectenbureaus, bouwfysische en constructieve adviesbureaus, opdrachtgevers, ontwikkelaars en koepelorganisatie/kennisplatform NEVAP wil het onderzoek naar gebouwen die lang in functie kunnen blijven, doorzetten. Het architectonische en theoretische onderzoek naar gebouwen met lange levensduren wordt uitgebreid, maar het onderzoek gaat zich vooral richten op de vraag hoe deze gebouwen technisch en financieel gerealiseerd kunnen worden. De onderzoeksvraag is hierbij : ‘Op welke manieren kan de levensduur van gebouwen worden verlengd om waardeverlies van gebouw en gebruikte materialen te voorkomen waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met architectonische en (gebruiks-)technische, maar ook met financiële en milieutechnische randvoorwaarden?’

Eindrapportage

Huurwoningen zijn schaars en voor velen onbetaalbaar. Het gebrek aan betaalbare huurwoningen komt
onder meer doordat de grond in de steden, maar ook arbeid, materialen en geld duurder worden. De markt –
vaak institutionele beleggers – verwacht bovendien een rendement op haar investering van minimaal vijf
procent. Om toch woningen aan te kunnen bieden die binnen de eisen van het middenhuur-segment vallen,
worden zij steeds iets kleiner en schraler.
Een woning wordt als een product gezien dat winst moet opleveren. Maar een woning is veel meer dan dat.
Een woning kan ons welzijn sterk verhogen; het bepaalt deels ons zelfbeeld. Daarnaast kan een
woongebouw met goed ontworpen gemeenschappelijke ruimtes en verkeersruimtes het ontmoeten van
anderen vergemakkelijken. Er kunnen woongemeenschappen ontstaan met meer sociale cohesie,
onderlinge betrokkenheid en een groter gevoel van veiligheid en welbevinden voor bewoners.
Dergelijke welzijnsverhogende woongebouwen vereisen royalere afmetingen en gaan daarmee tegen de
trend van steeds kleiner in. In ons onderzoek hebben we aangetoond dat deze woongebouwen desondanks
realistisch zijn als niet alleen de financiële, maar ook naar de sociale en ecologische waarden van een
woongebouw in de berekeningen worden meegenomen. Hiertoe zijn de sociale en ecologische waarden
vertaald in euro’s: wat kosten ze en wat leveren ze uiteindelijk de maatschappij op.
Voor de sociale waarden is hierbij gekeken naar welke kosten Nederlanders bereid zijn te maken voor één
levensjaar in goede gezondheid. De ecologische winst van woongebouwen schuilt vooral in de toepassingen
van biobased materialen en de CO2-opslag die hiermee kan worden gerealiseerd.
Voor deze uiteindelijke winst is wel meer geduld nodig. Pas na 75-100 jaar gaan deze woongebouwen hun
extra investeringen terugverdienen. Van institutionele beleggers mogen dergelijke vergezichten niet
verwacht worden. Eén van onze conclusies is dan ook dat de overheid weer leidend moet worden met
volkshuisvesting vertaald in betaalbare woningen voor iedereen.

Contactinformatie

Hogeschool van Amsterdam

Marcel Kloosterman, contactpersoon

Consortiumpartners

bij aanvang project